Blijkbaar zijn we als land de interesse in onze schenenschopper journaliste columniste Ebru Umar nog niet kwijt. Vandaag mag ze namelijk in het Parool haar gal spuwen. Nadat Theo van Gogh er even aan zijn dode haren wordt bijgesleept als, terecht, de enige reden dat Umar zichzelf columnist mag noemen, gaat ze over op haar stokpaardje.
Want de integratie is mislukt, et cetera.
Migrantenkinderen zijn tikkende tijdbommen, maar dat mag je van de politici en de grachtengordel met zijn roze bril op niet zeggen.
Je bent zelf een migrantenkind! En dat is dit keer niet bedoeld als een flauwe grap in een discussie die inmiddels nergens meer over gaat. Ebru is continu stennis aan het schoppen. Ze vertikt het zich aan onze sociale normen aan te passen. Ze vindt dat ze daarvoor niet genoeg respect krijgt. Ze jankt erover dat we in 10 jaar niet veranderd zijn in haar utopie van een fascistische dictatuur. Nu is ze nota bene verongelijkt aan het janken dat ze in een ander land vastgehouden wordt omdat ze zich aldaar niet aan kan passen. En dan heeft ze het sliertvergeten gore lef om iets te zeggen over andere migrantenkinderen? Het is, voor haar en anderen, maar goed dat we hier in Nederland wel zo tolerant zijn, maar kan dit waardeloze meninggorgel alsjeblieft voortaan podiumloos blijven? Ik vrees echter van niet, want het promoten van intolerantie is voor Telegraaf-media een Business Model en zolang het geld oplevert maakt het niet uit hoe dom de schrijfsels zijn.










Al met al is “Als ik nog eens wordt geboren” gelukkig niet gebalanceerd – de toon is duidelijk afkeer van alle verschrikkelijke gebeurtenissen uit de oorlog. Maar de voorstelling verschaft een inzicht in de verschillende stromingen en sentimenten uit die tijd en schuwt daarbij ook niet het uitbeelden van Jodenhaat.








