Gisteren werd de nieuwe voorzitter van de Tweede Kamer gekozen. De uitkomst? Khadija Arib van de PvdA. Dat is een gekke uitslag, want ze was geenszins de voorzitter die de Tweede Kamer nodig heeft – maar misschien wel de voorzitter die de Kamer verdient.
De voorzitter leidt in de Tweede Kamer debatten, communiceert met de regering, buitenstaanders, neemt plaats in het presidium en speelt een rol in het algemene reilen en zeilen van de organisatie rondom de Tweede Kamer. De voorzitter wordt verkozen vanuit de gelederen van de Kamer en is dus – per definitie – een politicus.
De uitslag van de verkiezing was niet verrassend, maar wel teleurstellend. Arib was de minst overtuigende kandidaat van de vier. Haar verhaal was weinig overtuigend. Haar beantwoording van vragen bestond niet uit een duidelijke visie of passie en ontbeerde een rode draad in het verhaal, voor zover het überhaupt mogelijk was in het van de hak op de tak springende gehakkel een verhaal te ontwaren. Dit alles in schril contrast tot Martin Bosma. Het PVV-kamerlid, uit een partij waar ondergetekende (voor zover dit nodig is om te vermelden) absoluut geen aanhanger van is, was niet alleen in zijn rol als ondervoorzitter al bij tijd en wijle een zeer sterke debatleider maar toonde ook nog eens een grote passie voor de rol van de volksvertegenwoordiging en een erg duidelijk begrip van de onpartijdige rol die de voorzitter hoort te vervullen: als facilitaire schakel voor het debat en de volksvertegenwoordiger.
Het is daarom jammer dat de kamer voor de zwakste schakel is gegaan. De sterkste schakel, Bosma, wordt op zijn partij afgewezen. Iemand die zich als een realistische tweede kon neerzetten, kon het ook schudden: Ton Elias overleefde de finale niet. In plaats daarvan wordt de kamer nu geleid door een hakkelende excuusmarokkaan met een beperkte taalbeheersing die duidelijk niet de sterkste kandidaat was. Het zal wellicht een statement zijn, maar het vertrouwen in de politiek win je hier in ieder geval niet mee terug. De PVV heeft het natuurlijk geclaimd als een bevestiging van hun gelijk over een ‘nepparlement’. Maar ook de burger, die van links tot rechts georiënteerde media overal kon lezen dat Bosma de meest geschikte kandidaat was, zal conclusies trekken over de staat van de volksvertegenwoordiging als de kamer het politieke eigenbelang boven de meest geschikte kandidaat voor wat een neutrale positie hoort te zijn plaatst. En terecht.